Belangrijke adviezen Ooggetuige Tweede Wereldoorlog Misdienaar Rob Deutz: 'Blijf de Rozenkrans bidden en vergeet de Tweede Wereldoorlo..

ingezonden


Belangrijke adviezen Ooggetuige Tweede Wereldoorlog Misdienaar Rob Deutz: 'Blijf de Rozenkrans bidden en vergeet de Tweede Wereldoorlogsslachtoffers nooit!'

Rob Deutz, kleurig gekleed voor zijn Eerste Communie.

Onze Sint Willibrord Acoliet is vlak voor de Tweede Wereldoorlog op 16 juli 1936 in Zeist geboren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ontving hij op 24 juni 1943 zijn Eerste Communie. Zijn Vormsel  ontving hij, samen met zijn klasgenootjes, vlak na de oorlog uit handen van Kardinaal De Jong.  Het ontvangen van beide Sacramenten heeft Rob als heel plechtig, mooi en fijn ervaren. Dit waren voor hem grote geluksdagen. In die tijd waren er in de Sint Joseph Kerk in Zeist nog echte communiebanken, die met linnen doeken waren bekleed. Rob kan zich nog steeds de geur van die schone, linnen doeken herinneren. Zijn ouders, die uiteraard ook in de volle kerk aanwezig waren, waren heel blij. Rob: 'De Eerste Communie- en Vormseldagen waren voor mij de mooiste dagen in mijn leven als kind'. 

Voor- en achterzijde van het herdenkingsprentje van de Eerste Communie van Rob Deutz op 24 juni 1943 (Sacramentsdag) tijdens de Tweede Wereldoorlog.

In het oorlogsjaar 1944 zag Rob met eigen ogen hoe Wehrmachtsoldaten met een lange lier (= hijssysteem) uit de toren van de Sint Joseph Kerk in Zeist de bronzen klokken naar beneden haalden. Het brons van de klokken werd gebruikt om kogels voor het Duitse leger van te maken. Rob kan zich nog herinneren hoe de klokken op het voorplein van de kerk hebben gestaan. Vervolgens zag hij hoe de klokken op een vrachtauto werden geladen en naar Duitsland werden afgevoerd voor de munitie-industrie. Rob was als klein Rooms-Katholiek jongetje hevig ontsteld dat de Duitsers zoiets afschuwelijks door de Duitsers werd gedaan.

Wel is Rob de oprechte mening toegedaan dat je niet alle Duitsers over één kam mag scheren. Als jongetje zag hij namelijk ook Duitsers die in de Sint Joseph Kerk naar de Mis gingen. Ze vielen meestal niet zo op. Er zaten ook onderduikers in de toren van de kerk verborgen. Maar – zo vertelt Rob – dat kreeg je als kind uiteraard niet te horen.

Op het voorplein van de Sint Joseph Kerk hebben tijdens de Tweede Wereldoorlog de bronzen kerkklokken gestaan, die vervolgens door Wehrmachtsoldaten op een vachtauto naar Duitsland werden afgevoerd. Het brons van de klokken werd in Duitsland gebruikt voor de munitieindustrie.

De Pastoor van de Sint Joseph Kerk, Pastoor Overmaat, werd tijdens de oorlog naar een Duits werkkamp gestuurd. De Duitsers hadden namelijk arbeiders nodig voor de oorlogsindustrie. Kapelaan Raaken en Smith hebben toen in oorlogstijd Pastoor Overmaat vervangen. Rob kan zich nog herinneren hoe in de oorlog de Zusters van het nabijgelegen Maria-oord iedere zondag tijdens de Mis of tijdens het Lof in de Mariakapel gingen bidden. De dames en meisjes zaten in de kerk links aan de 'Maria-kant', zo genoemd vanwege het feit dat het Mariabeeld daar stond, en de heren en jongens zaten rechts aan de kant waar het Sint Joseph beeld stond. Rob kan zich nog goed herinneren hoe in de kerk de Tridentijnse Mis werd gecelebreerd. De Fraters uit Zeist zorgden destijds voor het onderwijs op de Sint Andreasschool, die zich – nog steeds – tegenover de kerk bevindt.

Pastoor Overmaat had diverse flessen met o.a. Miswijn in zijn bezit. Hij wilde niet dat de Duitsers deze wijn tijdens een razzia in beslag zouden nemen. Vandaar dat de Pastoor in de kelder onder de kerk tegen de wand een dubbel muur liet bouwen. Tussen de beide muren in werd toen de flessen met wijn verstopt. De Duitsers hebben de wijn gelukkig nooit gevonden.

Robs oudste broer Pim en zijn goede vriend Hans waren ondergedoken omdat de Duitsers hen naar de werkkampen in Duitsland wilden sturen. Zij waren beiden veilig ondergedoken op de zolder van een fruitmagazijn bij een boomgaard in Wijk bij Duurstede. Beiden hebben de oorlog gelukkig overleefd. Ook Pastoor Overmaat heeft de oorlog gelukkig overleefd. Rob kan zich nog goed herinneren hoe de Pastoor in Zeist terugkeerde met een kaal hoofd.  De Duitsers hadden in het kamp zijn hoofd namelijk helemaal kaal geschoren.

Ook zag Rob Joodse inwoners van Zeist met een verplichte Davidsster op hun kleding lopen. Rob kan zich dit nog zo goed herinneren omdat hij als kleine jongen eens in de paardentram naast een Joodse man met een Davidsster op zat en met deze man gezellig heeft gebabbeld. Vanuit de slaapkamer van zijn ouders zag Rob hoe o.a. Joodse inwoners van Zeist met een razzia door de Duitsers vlak voor zijn huis werden afgevoerd. Ook bij Rob thuis heeft een razzia plaatsgevonden. De Duitsers wilden zijn vader in het kader van de Arbeidseinzatz (= te werk stelling) op transport naar Duitsland zetten. Zijn vader deed toen alsof hij griep had en ging met doeken om zijn hoofd in bed liggen. Robs moeder sprak gelukkig goed Duits en kon het hoofd van de groep Duitsers, die zijn ouderlijk huis binnen kwamen, nadat ze hadden aangebeld, uitleggen dat zijn vader ziek was. Zijn moeder had – heel slim – de thermometer extra warm gemaakt, zodat het leek alsof Robs vader koorts had.

Rob herinnert zich ook nog als de dag van gisteren hoe hij als kind meemaakte dat de geallieerden het treinstation bij de gasfabriek in Zeist probeerden te bombarderen. Zeist had namelijk een eigen gasfabriek met een eigen treinstation. Hier kwamen de treinen met kolen aan. De Duitsers gebruikten dit station echter ook om inwoners van Zeist naar de (werk)kampen af te voeren. De geallieerden hebben toen het station gebombardeerd om dit voortaan onmogelijk te maken. Het bombardement gebeurde door Britse Spitfire-vliegtuigen. Als kleine jongen ging Rob – na afloop van een bombardement – bomscherven zoeken. Twee bommen zijn nog op het Bethaniëplein in het centrum van Zeist op een huis gevallen. Rob heeft met eigen ogen die bommen, die gelukkig niet ontploften, op het dak van het huis gezien. Dit huis maakte deel uit van een rij huizen.

Toen de geallieerden Arnhem (Slag om Arnhem) aanvielen, zag de kleine Rob een enorme vloot van vliegtuigen met  parachutisten én bommen over zijn kinderhoofdje heen vliegen. Er zijn toen bij de Waalbrug in Arnhem grote verliezen aan mensenlevens geleden.

Rob woonde tijdens de oorlog op de Wilhelminalaan 15 in Zeist. Zijn ouderlijk huis heette Huize Madoera.  Robs vader had namelijk het huis gekocht van een Indonesiër. Rob heeft tijdens de oorlog gelukkig nooit honger geleden. Zijn vader had namelijk een kledingzaak en ruilde bij de boeren in de omgeving kleding in ruil voor zakken graan.  De gekochte zaken graan werden dan vervolgens door een molenaar, die Robs vader kende, dan weer tot meel vermalen, zodat zijn vader van dit meel dan weer brood kon bakken.

Rob maakte trouwens ook nog mee hoe vanuit Zweedse vliegtuigen broden naar beneden werden gedropt, die dan vervolgens weer door het Rode Kruis onder de mensen werden verdeeld. Rob kan zich het Zweedse wittebrood nog heel goed herinneren. Ook de gaarkeukens in Zeist staan Rob nog steeds in zijn geheugen gegrift. Het voedsel uit de gaarkeukens werd op het schoolplein uitgedeeld. Zo konden burgers pannen soep mee naar huis krijgen of kon je ter plekke een kom met soep eten. De soep – zo herinnert Rob zich nog – was heel waterig. Het eten van de gaarkeukens was eetbaar, maar daar was dan ook alles mee gezegd. De kwaliteit van het eten was niet van hoge kwaliteit. Maar er was toen tenminste gelukkig nog voedsel verkrijgbaar. Rob was als kind vanzelfsprekend blij dat dit eten er was.  Zeker gezien ook de Hongerwinter aan het einde van de oorlog toen heel veel mensen überhaupt niets te eten hadden. Gelukkig hebben Rob en zijn familie niet veel  van de gaarkeukens gebruik hoeven te maken.

Tijdens de oorlog werd het bezit van vlees door de Duitsers voor de Nederlanders verboden. De Duitsers wilden het beschikbare Nederlandse vlees namelijk graag zélf opeten. Robs moeder heeft toen het vlees dat zij op dat moment nog in haar bezit had onder de buffetkast op de kinderkamer verstopt, zodat – als er een zoektocht plaats mocht vinden – de Duitsers dit vlees in ieder geval niet konden vinden.

In de oorlog mocht je geen radio hebben, maar Rob zijn ouders hadden hun radio op de zolder achter een geheime wand verstopt. Zelf heeft Rob als kind nooit naar de radio geluisterd – hij was hier nog te klein voor – maar zijn oudere broer luisterde wel naar de radio. Robs ouders konden dankzij een geheime extra zekering, die in de stoppenkast verborgen zat, via extra aangebrachte zekeringen tóch stiekem naar de radio luisteren. Als de Duitsers dan binnen mochten vallen, konden de hoofdzekeringen in de stoppenkast op tijd los worden gedraaid.  Want je mocht in de oorlog slechts een aantal uren per dag over elektriciteit beschikken. Rob kan zich trouwens nog ook goed herinneren hoe er bij hem thuis kaarslicht en carbidlampen als verlichting in huis werden gebruikt. 

Robs moeder moest tijdens de oorlog een blindedarmoperatie ondergaan. Dit was – zeker in de oorlog – een riskante operatie, waaraan in die tijd veel mensen zijn overleden. Robs moeder heeft de Heilige Maagd Maria toen beloofd dat als zij zou genezen zij na de oorlog naar Lourdes zou gaan. Robs moeder overleefde de operatie en hield haar woord. Zij heeft na de oorlog Lourdes toen inderdaad bezocht.

Rob Deutz met om zijn nek de Willibrord penning, die hij van Kardinaal Wim Eijk heeft ontvangen voor zijn jarenlange trouwe inzet als Misdienaar. Robs nadrukkelijke adviezen zijn: 'Blijf de Rozenkrans bidden en vergeet de Tweede Wereldoorlog en alle slachtoffers nooit meer!'.

Rob ging met zijn gehele familie iedere zondag naar de Mis. Zowel de goede, zorgzame, liefdevolle opvoeding van zijn ouders, maar zeker ook het Rooms-Katholieke geloof heeft Rob als kind toen echt de oorlog door geholpen. In de oorlog baden Rob en zijn familie regelmatig de Rozenkrans. Wat Rob aan alle lezers van dit informatieblad nadrukkelijk mee wil geven is: 'Blijf de Rozenkrans bidden'. Ook verzoekt Rob de lezers om de Tweede Wereldoorlog en haar slachtoffers altijd te blijven herdenken. Rob: 'Wij mogen deze afschuwelijke oorlog en alle slachtoffers nooit meer vergeten'.

Meer berichten